“Its all about Insulin”
Insuline – Hyperinsulinemie – Insulineresistentie (IR)
Wat is Insuline?
Insuline is een hormoon dat door de alvleesklier wordt aangemaakt en een essentiële rol speelt in de suikerstofwisseling van het lichaam en groei. Insuline zorgt ervoor dat glucose (suiker) uit het bloed wordt opgenomen door lichaamscellen, vooral spieren, waar het gebruikt wordt als energiebron of wordt opgeslagen.

Insuline werkt als een soort sleutel die de deur naar de cellen opent, zodat glucose vanuit het bloed kan binnengaan. Dit voorkomt dat de bloedsuikerspiegel te hoog wordt en ondersteunt een gezonde energiebalans.
Wat is Hyperinsulinemie?
Hyperinsulinemie is een toestand waarbij het lichaam chronisch te veel insuline aanmaakt en in het bloed heeft. Dit gebeurt vooral als cellen minder gevoelig worden voor insuline (insulineresistentie), waardoor de alvleesklier extra insuline aanmaakt om de bloedsuiker alsnog onder controle te houden.
- Insuline ongevoeligheid (insulineresistentie),
Mensen met hyperinsulinemie ervaren vaak:
- Overgewicht, vooral buikvet
- Regelmatig en snel opnieuw honger na maaltijden
- Verhoogd cholesterol en verhoogd risico op hart- en vaatziekten
- Verstoring van de hormoonhuishouding (zoals menstruatieklachten of PCOS)
- Vermoeidheid, concentratieproblemen en soms hypoglycemie (klachten van lage bloedsuiker door te veel insuline, ook als het glucosegehalte normaal is)
- Overmatige vetopslag, weinig vetverbranding en soms gewrichtsklachten.
Hyperinsulinemie wordt vaak gezien als een voorstadium (pre-diabetes) van diabetes type 2 en komt veel voor bij mensen met insulineresistentie. Het risico wordt vergroot door ongezonde voeding (veel snelle koolhydraten, weinig vezels), overgewicht, weinig beweging, stress en erfelijke aanleg.

Wat is insulineresistentie?
Bij insulineresistentie reageren aanvankelijk de levercellen, daarna de spiercellen en tot slot ook de vetcellen minder goed op insuline. Hierdoor wordt de overtollige glucose na de maaltijd minder makkelijk de cellen ingesluisd. Om te zorgen dat de cellen toch glucose gaan opnemen geeft de alvleesklier (pancreas) meer insuline af (hyperinsulinemie). Dit compensatiemechanisme waarborgt een normale bloedsuikerspiegel. Helaas houden insulineresistentie en de daarop volgende insulinestijging elkaar in stand en verergert de situatie gaandeweg.
Insuline dient de glucoseproductie in de lever te remmen. Als de levercellen insulineresistent zijn geworden, ontbreekt dit terugkoppelingsmechanisme en geeft de lever glucose aan het bloed af als het helemaal niet nodig is.
De glucosebelasting neemt toe en leidt tot een hogere insulinespiegel.
- De levercellen gaan zich nog meer afsluiten voor insuline.
- De spiercellen kunnen de glucose op den duur ook moeilijk opnemen.
- De vetcellen zijn daartoe het langst in staat en krijgen veel meer glucose aangeboden dan normaal.
Daarom worden insulineresistente mensen steeds dikker, mede doordat insuline de vetafbraak ook nog eens remt. De vetophoping in de buikstreek neemt met name toe, omdat dat vetweefsel de grootste stofwisselingsactiviteit heeft. Tenslotte worden ook de vetcellen resistent.
Als de insulineproductie uiteindelijk door uitputting van de bètacellen in de alvleesklier onvoldoende is om de insulineresistentie te overwinnen, dan stijgt de bloedsuikerspiegel (hyperglycemie) en is er sprake van diabetes type 2.
Een te hoge glucoseopname door bètacellen (door een milde bloedglucosestijging) kan leiden tot beschadiging van de bètacellen en geleidelijke daling van de insulineproductie.
Insulineresistentie is een aandoening waarbij de lichaamscellen minder gevoelig worden voor insuline, het hormoon dat normaal gesproken helpt bij het reguleren van de bloedsuikerspiegel. Door deze verminderde gevoeligheid kunnen de cellen glucose minder goed opnemen, waardoor het glucosegehalte in het bloed stijgt. Dit verhoogt het risico op pre-diabetes, diabetes type 2, hart- en vaatziekten, leververvetting, chronische ontsteking, verstoorde cholesterolwaarde en in sommige gevallen kanker en de ziekte van Alzheimer.

Waardoor ontstaat insulineresistentie?
Veel onderzoek is gedaan naar factoren die insulineresistentie bevorderen. De kans op insulineresistentie is deels gebaseerd op erfelijke aanleg. Een indicatie is dat in een familie vaak vroegtijdige hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en diabetes type 2 voorkomen. Het is bijvoorbeeld bekend dat eerstegraads familieleden van mensen met diabetes type 2 vaker glucoseintolerantie hebben (meer moeite om de bloedglucose in het gareel te houden). Daarnaast spelen leefstijlfactoren een prominente rol; het metabool syndroom ontstaat in de meeste gevallen door de interactie tussen erfelijke aanleg (nature) en levensstijl (nurture). Hoe meer aanleg voor insulineresistentie, des te groter is de impact van leefstijlfactoren op het ontstaan van het metabool syndroom.
Factoren die insulineresistentie bevorderen.
Ongezond is vooral te veel eten, te veel (geraffineerde) koolhydraten, te veel verzadigde vetten en transvetten, te veel alcohol, koffie en junkfood, te weinig vezels en een te lage inname van belangrijke vitaminen, mineralen en essentiële vetzuren (met name omega-3-vetzuren). Het is bewezen dat een dieet rijk aan verzadigde vetten en geraffineerde koolhydraten insulineresistentie bevordert door het herhaaldelijk opjagen van de insulinespiegel en leidt tot symptomen van het metabool syndroom.
Voeding die de insulinespiegel zo min mogelijk laat stijgen is het best.
Matig alcoholgebruik
Het verbetert de insulinegevoeligheid, verlaagt de nuchtere insulinespiegel en verhoogt de HDL-cholesterolspiegel. Een hogere inname van alcohol daarentegen is ongunstig en draagt bij aan insulineresistentie en het metabool syndroom, mede doordat er sneller vitaminen- en mineralentekorten ontstaan.
Overgewicht en vetzucht
Met name vetophoping in de buikstreek is geassocieerd met insulineresistentie. Insulineresistentie bevordert overgewicht, overgewicht leidt tot toename van de insulineresistentie doordat het vetweefsel meer vrije vetzuren in circulatie brengt. Deze vetzuren worden verbrand in de spieren en lever ten koste van glucose, wat de glucosespiegel doet stijgen. Bovendien zetten de vrije vetzuren de lever aan om meer glucose aan het bloed af te geven.
Wel belangrijk om te onthouden is dat niet iedereen met overgewicht insulineresistentie heeft en dat niet iedereen die insulineresistent is overgewicht heeft.
Een zittende leefstijl is erg ongunstig
Voor de insulinegevoeligheid. Aangezien kinderen en jongeren steeds minder sporten en vaker overgewicht hebben, krijgen mensen op steeds jongere leeftijd met het metabool syndroom te maken
Chronische stress
Een verhoogde cortisolen (nor)epinefrinespiegel bevorderen insulineresistentie en stijging van de bloedglucosespiegel.
Hyperinsulinemie
Activeert het sympathisch zenuwstelsel weer.
Fysiek en mentaal uitgeput zijn
In combinatie met plotselinge woedeaanvallen kan een teken zijn van het insulineresistentie syndroom.
Roken
Is een sterke prikkel voor insulineresistentie. Uit onderzoek blijkt dat veel rokers dyslipidemie en hyperinsulinemie hebben. Vooral voor mensen met diabetes type 2 (van wie meer dan 80% insulineresistentie heeft) is roken funest.
Slaaptekort
Is geassocieerd met insulineresistentie.
Leeftijd
Boven de veertig jaar neemt het percentage mensen met insulineresistentie door hormonale veranderingen toe.
Een overactief immuunsysteem
Acute en chronische infecties en ontstekingen of een tekort aan omega-3-vetzuren bevorderen insulineresistentie.
Zwangerschap
Vooral het 2e en 3e trimester neemt de insulineresistentie toe wat kan leiden tot zwangerschapsdiabetes. Als een vrouw zwangerschapsdiabetes heeft gehad, is de kans groot dat zij het metabool syndroom heeft of later ontwikkelt.
Medicijngebruik
De anticonceptiepil, corticosteroïden, antipsychotica, antidepressiva en protease-remmers bevorderen insulineresistentie
Voedingsstoffen die helpen om insulineresistentie tegen te gaan. Naast een gezonde leefstijl en eetgewoonten zijn er een aantal voedingsstoffen die helpen om de insulineresistentie tegen te gaan, de insulinespiegel te verlagen en de glucosestofwisseling te verbeteren. Chroom, magnesium, zink, kalium en pyridoxine (vitamine B6) zijn essentieel voor de productie van insuline door de alvleesklier. Insulineresistentie vergroot het tekort aan deze stoffen, waardoor de alvleesklier steeds moeilijker aan de verhoogde insulinebehoefte kan voldoen en de dreiging van diabetes type 2 steeds dichterbij komt.
