Module 2: Glucose en Insuline Revolutie

“Its all about Insulin”

Insuline – Hyperinsulinemie – Insulineresistentie (IR)

Wat is Insuline?

Insuline is een hormoon dat door de alvleesklier wordt aangemaakt en een essentiële rol speelt in de suikerstofwisseling van het lichaam en groei. Insuline zorgt ervoor dat glucose (suiker) uit het bloed wordt opgenomen door lichaamscellen, vooral spieren, waar het gebruikt wordt als energiebron of wordt opgeslagen.

Alvleesklier (Pancreas)

Insuline werkt als een soort sleutel die de deur naar de cellen opent, zodat glucose vanuit het bloed kan binnengaan. Dit voorkomt dat de bloedsuikerspiegel te hoog wordt en ondersteunt een gezonde energiebalans.

Wat is Hyperinsulinemie?

Hyperinsulinemie is een toestand waarbij het lichaam chronisch te veel insuline aanmaakt en in het bloed heeft. Dit gebeurt vooral als cellen minder gevoelig worden voor insuline (insulineresistentie), waardoor de alvleesklier extra insuline aanmaakt om de bloedsuiker alsnog onder controle te houden.

  • Insuline ongevoeligheid (insulineresistentie), 

Mensen met hyperinsulinemie ervaren vaak:

  • Overgewicht, vooral buikvet
  • Regelmatig en snel opnieuw honger na maaltijden
  • Verhoogd cholesterol en verhoogd risico op hart- en vaatziekten
  • Verstoring van de hormoonhuishouding (zoals menstruatieklachten of PCOS)
  • Vermoeidheid, concentratieproblemen en soms hypoglycemie (klachten van lage bloedsuiker door te veel insuline, ook als het glucosegehalte normaal is)
  • Overmatige vetopslag, weinig vetverbranding en soms gewrichtsklachten.

Hyperinsulinemie wordt vaak gezien als een voorstadium (pre-diabetes) van diabetes type 2 en komt veel voor bij mensen met insulineresistentie. Het risico wordt vergroot door ongezonde voeding (veel snelle koolhydraten, weinig vezels), overgewicht, weinig beweging, stress en erfelijke aanleg.

Lever

Wat is insulineresistentie?

Bij insulineresistentie reageren aanvankelijk de levercellen, daarna de spiercellen en tot slot ook de vetcellen minder goed op insuline. Hierdoor wordt de overtollige glucose na de maaltijd minder makkelijk de cellen ingesluisd. Om te zorgen dat de cellen toch glucose gaan opnemen geeft de alvleesklier (pancreas) meer insuline af (hyperinsulinemie). Dit compensatiemechanisme waarborgt een normale bloedsuikerspiegel. Helaas houden insulineresistentie en de daarop volgende insulinestijging elkaar in stand en verergert de situatie gaandeweg.

Insuline dient de glucoseproductie in de lever te remmen. Als de levercellen insulineresistent zijn geworden, ontbreekt dit terugkoppelingsmechanisme en geeft de lever glucose aan het bloed af als het helemaal niet nodig is.

De glucosebelasting neemt toe en leidt tot een hogere insulinespiegel. 

  • De levercellen gaan zich nog meer afsluiten voor insuline. 
  • De spiercellen kunnen de glucose op den duur ook moeilijk opnemen. 
  • De vetcellen zijn daartoe het langst in staat en krijgen veel meer glucose aangeboden dan normaal.

Daarom worden insulineresistente mensen steeds dikker, mede doordat insuline de vetafbraak ook nog eens remt. De vetophoping in de buikstreek neemt met name toe, omdat dat vetweefsel de grootste stofwisselingsactiviteit heeft. Tenslotte worden ook de vetcellen resistent.

Als de insulineproductie uiteindelijk door uitputting van de bètacellen in de alvleesklier onvoldoende is om de insulineresistentie te overwinnen, dan stijgt de bloedsuikerspiegel (hyperglycemie) en is er sprake van diabetes type 2. 

Een te hoge glucoseopname door bètacellen (door een milde bloedglucosestijging) kan leiden tot beschadiging van de bètacellen en geleidelijke daling van de insulineproductie. 

Insulineresistentie is een aandoening waarbij de lichaamscellen minder gevoelig worden voor insuline, het hormoon dat normaal gesproken helpt bij het reguleren van de bloedsuikerspiegel. Door deze verminderde gevoeligheid kunnen de cellen glucose minder goed opnemen, waardoor het glucosegehalte in het bloed stijgt. Dit verhoogt het risico op pre-diabetes, diabetes type 2, hart- en vaatziekten, leververvetting, chronische ontsteking, verstoorde cholesterolwaarde en in sommige gevallen kanker en de ziekte van Alzheimer.

Glucose

Waardoor ontstaat insulineresistentie?

Veel onderzoek is gedaan naar factoren die insulineresistentie bevorderen. De kans op insulineresistentie is deels gebaseerd op erfelijke aanleg. Een indicatie is dat in een familie vaak vroegtijdige hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en diabetes type 2 voorkomen. Het is bijvoorbeeld bekend dat eerstegraads familieleden van mensen met diabetes type 2 vaker glucoseintolerantie hebben (meer moeite om de bloedglucose in het gareel te houden). Daarnaast spelen leefstijlfactoren een prominente rol; het metabool syndroom ontstaat in de meeste gevallen door de interactie tussen erfelijke aanleg (nature) en levensstijl (nurture). Hoe meer aanleg voor insulineresistentie, des te groter is de impact van leefstijlfactoren op het ontstaan van het metabool syndroom.

Voedingsstoffen die helpen om insulineresistentie tegen te gaan. Naast een gezonde leefstijl en eetgewoonten zijn er een aantal voedingsstoffen die helpen om de insulineresistentie tegen te gaan, de insulinespiegel te verlagen en de glucosestofwisseling te verbeteren. Chroom, magnesium, zink, kalium en pyridoxine (vitamine B6) zijn essentieel voor de productie van insuline door de alvleesklier. Insulineresistentie vergroot het tekort aan deze stoffen, waardoor de alvleesklier steeds moeilijker aan de verhoogde insulinebehoefte kan voldoen en de dreiging van diabetes type 2 steeds dichterbij komt.